☰ Extra

Albert Naert (1915-1999)
Herinneringen aan een Heistenaar in hart en nieren

door zoon Frank Naert

Vorig jaar was het 20 jaar geleden dat Albert Naert overleed. Hij verliet ons op 4 december 1999, de dag waarop Filip en Mathilde in het huwelijk traden. Albert Naert was een bekende figuur in de Heistse gemeenschap. Velen hebben hem gekend als onderwijzer of als voetballer. Ook in de Zeebrugse visserij was hij een bekend figuur. Verder speelde hij een belangrijke rol in de sociale huisvesting in de gemeente en, wat weinigen weten, was hij een meer dan verdienstelijk bridgespeler.

Jeugdjaren

albert naert 01Albert in zijn jeugd met moeder Césarine en zuster Lea

Over zijn geboorte is al een interessante anekdote te melden. Hij werd immers geboren in Nederland, net over de grens in Retranchement, of ‘Truzement’ zoals de plaatselijke bevolking het uitspreekt. We zijn januari 1915, de eerste wereldoorlog is uitgebroken en het gezin Naert-Clinckemaillie is zoals zoveel andere Vlaamse families, op de vlucht geslagen over de grens naar Nederland. Daar wordt Albert op 11 januari geboren als vierde van wat uiteindelijk een reeks van vijf kinderen wordt. Truzement is niet het eindpunt van de vlucht. Blijkbaar wordt ook nog Sluis aangedaan, waar het gezin tijdelijk verblijft in de woning op het pleintje waar later de familie Herman restaurant ’t Oude Sluys uitbaatte. Waar het gezin passeert gedijen later horecabedrijven. Na de oorlog strijkt de familie Naert immers neer in een woning in de Mengélaan, waar later het onlangs afgebroken ‘t Keldertje floreerde.
Vader Naert was een rijkswachter te paard, geboren in 1875 en moeder heette Césarine Clinckemaille, een naam die inderdaad klinkt als een klok. Haar heb ik nooit gekend, ze overleed al in de jaren vijftig. Charles Naert evenwel was van het taaie ras en hield het uit tot op zijn 93ste.

Samen kregen ze dus 5 kinderen. Lea was de oudste, ze was getrouwd met Albert Maenhout, slager van beroep. Hun beenhouwerij ‘Notre Dame’ was eerst gevestigd op de hoek van de Dwarsstraat en de Kursaalstraat, maar werd vooral gekend toen de winkel verhuisde naar de hoek van de Kursaalstraat en de Vlamingstraat, rechtover kledingzaak Progrès. Marcel was de tweede oudste. Hij had samen met de jongste van het gezin, Jozef, een visgroothandel in Zeebrugge, meer bepaald in enkele pakhuizen in de vismijn. Marcel maakte op een bepaald moment een lelijke val op de glibberige plank die het niveauverschil tussen het interne gedeelte van de vismijn en de deur van het pakhuis overbrugde.

De rest van zijn leven bracht hij in een rolstoel door en het werk in het bedrijf kwam terecht op de schouders van Jozef. Ook Maurice Naert was een bekende figuur in het Heistse sociaal leven. Hij had een sigarenwinkel in de Kardinaal Mercierstraat, naast bakkerij Bassens, samen gelegen in het gebouw waarin later de Phildar kwam. In die tijd kwam met de sigaar ook het sigarenbandje, en dat werd verzameld, net zoals postzegels.

Zijn winkel was dan ook een soort contactpunt voor de verzamelaars van sigarenbandjes en postzegels. In zijn winkel verkocht hij niet alleen rookgerief, maar ook papierwaren en schrijfgerief. Hij was een expert in het herstellen van defecte vulpennen. Met eindeloos geduld en begeleid door zijn eigen even eindeloos commentaar demonteerde hij de kapotte pen, zocht naar het mankement en assembleerde het geheel tot een opnieuw goedwerkend schrijfinstrument. Die manuele precisie kwam hem ook van pas in zijn hobby, het driebanden. Hij had de reputatie een van de beste biljarters van de streek te zijn, sommigen beweerden zelfs dat hij van het kaliber van Raymond Ceulemans was.

albert naert 02Albert (links) in soldatentenue

Over de jeugd van Albert is weinig bekend. Blijkbaar was hij geen al te slechte leerling, want we vinden hem op 16-jarige leeftijd in de ‘Aangenomen Normaalschool voor Onderwijzers’ in Brussel. Hij studeerde er voor onderwijzer in ‘Saint-Thomas’. Vermoedelijk was dat op de campus Nieuwland, een voormalige gevangenis die weliswaar geleidelijk aan werd omgebouwd tot een school, maar ‘de algemene indruk blijft povertjes en, ondanks alles, onzindelijk’ (Brief Directeur-Generaal De Pauw van het Ministerie van Onderwijs, 18 maart 1936). De opleiding duurde 4 jaar.

Om een idee te krijgen van het niveau: ‘Het was uitdrukkelijk de bedoeling om in de eerste drie jaren van de normaalopleiding de algemene vakken op het niveau te brengen van de hogere cyclus van de Latijn-Griekse humaniora. De klassieke talen werden vervangen door psychologie, pedagogiek en expressievakken. Pedagogiek en praktijkopleiding werden verschoven naar het derde en vierde jaar. Dat alles duidde op een voortschrijdende professionalisering en opwaardering van de opleiding’ (D’Hoker & Lowyck, De lerarenopleidingen in Vlaanderen: rivieren werden één stroomgebied, Tijdschrift voor Lerarenopleiders, jrg 26(4), 2005, p. 5-15). Allemaal geen probleem voor Albert.

Hij ontving zijn ‘akte van lager onderwijzer’ ‘den 30en Juni 1934’. Het waren toen geen al te bloeiende economische tijden en ik vermoed dat dat de reden was waarom hij niet onmiddellijk in het onderwijs kon stappen. Hij kon aan werk geraken bij de vishandel Debra in Zeebrugge. Pas rond 1937 kon hij een plaats van onderwijzer krijgen in Zwankendamme.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was mijn vader, samen met zijn drie broers, gemobiliseerd geweest. Tijdens de korte duur van de oorlog op ons grondgebied moet hij toch ook verwikkeld zijn geraakt in militaire schermutselingen, meer bepaald aan één van de twee kanalen ter hoogte van Maldegem. Dat kanaal vormde op een bepaald moment de frontlinie. Aan de éne kant was mijn vader gepositioneerd. Als onderofficier had hij de leiding over enkele soldaten die het vuur moesten openen op enkele Duitsers die zich aan de andere kant van het kanaal bevonden. Daarbij zouden doden gevallen zijn. Deze anekdote is mij nooit door mijn vader verteld. Toen hij reeds vele jaren overleden was kwam het boven in een gesprek met één van zijn broers. Het voorval werd me later ook bevestigd door één van zijn schoonbroers.

Na de capitulatie op 28 mei 1940 kon Albert terugkeren naar huis. Hij trouwde er in mei 1942 met Lia Vantorre, dochter van Joseph Vantorre, reder in de Zeebrugse visserij en in 1929 de eerste voorzitter van de Zeemeermin, supportersclub van FC Heist, en Micheline Vandeputte. Op een bepaald moment kreeg mijn moeder de kroep, een overdraagbare ziekte, wat de Duitse bezetters ertoe bracht het koppel onder quarantaine te zetten in hun huis op de Square, terwijl voor de rest iedereen geëvacueerd was.

Voetbal

Velen kennen Albert Naert vanuit het voetbal. Hij begon zijn carrière bij FC Heist (in die tijd nog ‘Football Club Heystois’) en speelde er, in een eerste doortocht, van 1933 tot 1936. In zijn eerste seizoen voetbalde hij bij FC Heystois, na promotie uit de regionale afdeling, in de derde nationale afdeling. In die tijd ook Promotie of Bevordering geheten. Een succes was het niet, want na één seizoen stond de ploeg op de derde laatste plaats en zakte terug naar provinciaal. In zijn laatste jaar in Heist slaagde de club er evenwel in om opnieuw naar de derde klasse te promoveren. In het elftal dat de titel behaalde in 1935-36 vinden we naast Albert ook zijn broer Marcel, en verder een aantal latere stichters van de Oud-Gloriën zoals Maurice Bulcke, Robert Slabbinck, Anselmus Serreyn, Albert (‘Pulle’) De Beer en André Deschepper. Het bestuur werd geleid door voorzitter Sylvain Bulcke. Een markant bestuurslid op dat moment was Hector (‘Torten’) Goetinck, in Heist en ver daarbuiten onder andere gekend als speler van Club Brugge, bondscoach van het Belgisch nationaal elftal, caféuitbater op de Boulevard en oorlogsburgemeester van Heist. Hij kwam om in 1943, getroffen door een bomscherf.

Gedurende het seizoen 1936-37 speelde Albert bij SK Roeselare, op dat moment actief in de provinciale reeksen. Die overstap is altijd een raadsel gebleven. Roeselare was bepaald niet bij de deur, in die tijd nog minder dan nu. Een auto was er niet. Dan kon het enkel met de trein gebeuren of meerijden met iemand die wel een auto had. Financiële redenen konden er ook moeilijk zijn, want voor meer dan wat drinkgeld werd er in die tijd niet gespeeld. Het kan te maken hebben met een job in het onderwijs die in het vooruitzicht werd gesteld, maar zeker is dat niet. Feit is dat hij in 1937 in Zwankendamme kon beginnen. Vervolgens kwam de overstap naar Cercle Brugge, waar hij bleef tot 1944. Bij zijn komst was Cercle net gedegradeerd uit de eerste afdeling en de ambitie was om terug te keren naar eerste klasse. Daar slaagde het wonderwel in, met Albert Naert in een hoofdrol. Hij scoorde in het seizoen 1937-38 27 doelpunten in 26 matchen, was daarmee topschutter van Cercle en tweede in de algemene topschutterslijst van dat seizoen. Hij stond op de ‘centervoor’, in het WM-systeem dat toen overal werd toegepast, dus op de middelste punt van de W. Ook in de ploeg stond Robert Braet, Cercle-monument, goed voor 350 wedstrijden in het eerste elftal, 14-voudig internationaal en later voorzitter van Cercle. Verdere opvallende spelers in dat elftal waren Staf Eeckeman en Arthur Ruysschaert. De eerste was de aangever voor de goalgetters Naert en Ruysschaert, die er zelf ook 24 binnen legde. Arthur Ruysschaert was trouwens een echt Cercle-icoon, hij scoorde in totaal 115 keer in zijn 364 wedstrijden voor Cercle. Nog een merkwaardig gegeven: de trainer die Cercle terug naar eerste bracht was William Maxwell, een Schot die Belgisch bondscoach was in de periodes 1910-1914 en 1920 tot 1928.

Het jaar erop, 1938-39, was het behoud de prioriteit. Ondanks het vlotte scoren van Naert en Ruysschaert werd nog een aantal spitsen aangetrokken. Eén van hen was de reeds vermelde André Deschepper, één van de kampioenen van FC Heist in het seizoen 35-36. Het eerste seizoen in eerste klasse was niet zo denderend. Cercle eindigde op de elfde plaats, maar nog erger verging het Club Brugge dat als laatste eindigde en degradeerde. André Deschepper stond nu centervoor en Albert Naert werd ‘inside’ waardoor hij minder in de positie kwam om te scoren. Toch kreeg hij er nog 5 tegen de netten, Deschepper scoorde 11 maal.

albert naert 03Een Panini-sticker avant la lettre

En toen kwam de oorlog natuurlijk, waardoor het voetbal op een lager pitje werd gezet. De competitie 1939-40 werd halverwege stopgezet. Het seizoen 1940-41 was een onofficiële competitie met twee reeksen van 10 ploegen. Albert duikt terug op in de statistieken van 1941-42 met 6 wedstrijden voor Cercle, in de volgende twee seizoenen ging het weer bergop met resp. 29 wedstrijden en 6 doelpunten en 14 wedstrijden met 3 doelpunten. Cercle eindigde 2 keer 8e.

Albert Naert scoort met Cercle tegen KSV Boom (1e klasse 1938-39)

Daarna tot 1948 als speler-trainer naar KSV Blankenberge en, opnieuw als speler-trainer bij KFC Heist tot 1954-55. Een contract uit die periode, meer bepaald voor het seizoen 1951-52, leert ons dat de trainer 15.000 frank werd betaald voor de wekelijkse training die minstens 2 uur moest duren, waarvan 1 uur op het terrein en 1 uur theorie. Het is evenwel niet duidelijk wat dat laatste betekent. Het seizoen 1953-54 was succesvol, KFC Heist speelde onder leiding van ‘Berten’ Naert kampioen in 2e provinciale. Ook het volgende seizoen vinden we hem, op 40-jarige leeftijd, nog op het scheidsrechtersblad terug in, onder andere, de match tegen Racing Harelbeke.

Oud-Gloriën

Hij behoorde in 1946 tot de stichters van de Oud-Gloriën van FC Heist. Het verhaal van de Oud-Gloriën begon net na de Tweede Wereldoorlog. FC Heist had stilgelegen tijdens de oorlog maar wilde heropstarten in 1946. Nog voor de competitie begon, brak doelman Albert De Schrooder in een vriendschappelijke wedstrijd zijn arm. Dezelfde avond vatten enkele oud-spelers het plan op om ten voordele van de gekwetste speler een benefietmatch te spelen tussen het toenmalige elftal van FC Heist en een ploeg samengesteld uit spelers die voor Wereldoorlog II de groenwitte kleuren hadden verdedigd. Op kermismaandag in 1946 betaalden vijfhonderd toeschouwers 10 Belgische frank inkom om de oud-spelers de wedstrijd met 0-4 te zien winnen. Na de match besloten ze tussen pot en pint om een vriendenkring van oud-spelers op te richten. Maurice Bulcke, kapitein van de vooroorlogse ploeg, stelde voor de nieuwe vereniging ‘Oud-Gloriën’ te dopen. Drie jaar op rij was de jaarlijkse ontmoeting tussen oud en nieuw Heist een topgebeuren. In 1947 wonnen de jongeren met 3–1, in 1948 was de einduitslag 3–3.

albert naert 04Naast de paal scheidsrechter John Langenus, vermaard van de eerste wereldbekerfinale tussen Uruguay en Argentinië in Montevideo, 1930

albert naert 05Fanions K.F.C. Heist Kampioen 1953-54 in 2e provinciale
Van linksboven naar rechtsonder
Samyn Maurice Dogimont Oscar Janssens Andrè Vandenberghe Robert Van Hoof Freddy Coppejans Jef Naert Albert Hilderson Karei Deduytsche Emiel Tavernier Cyriel Debrabandere Raoul Lust Werner Herrebout Marcel Rotsaert Marcel Coppens Jules Slabbinck Pierre

albert naert 06Oud-Gloriën
1946 - Stlchtingsvergadering
Van links naar rechts - Staande Louis Fiers, Albert De Beer, Robert Slabbinck. Marcel Dhauw en Marcel Meyers.
- Zittend Anselmus Serreyn, Leon Van Hulle, Sylvam Bulcke, Prosper Van Hulle René Haennck, Marcel Demetter. René Desmidt, René Claeys, Jacques Despiegelaere, Maurice Bulcke, André Deschepper en Albert Naert

De Oud-Gloriën hebben het 65 jaar uitgehouden. Mijn vader is er vanaf het begin een geëngageerd lid van geweest, als mede-oprichter, als speler (tot op 60-jarige leeftijd!), als bestuurslid, als penningmeester, als ere-voorzitter, als mentor voor de jongere generaties. Hij was erbij op de meer dan 80 voetbaltornooien die in het Sportstadium De Taeye werden georganiseerd met ploegen vanuit heel Vlaanderen. Na het tornooi werden de bezoekers door de straten van Heist begeleid door de Koninklijke Harmonie Sint-Cecilia op weg naar de feestzaal Ravelingen in de Kerkstraat. Daar werden ze door de Heistse visbakkers vergast op gebakken vis en werd er gefeest tot in de late uurtjes.

Hij kreeg voor zijn inzet voor de Oud Gloriën in 1975 de zilveren medaille voor sportverdienste van de sportraad van Knokke-Heist.

De Oud-Gloriën waren ook een goede voedingsbodem voor levenslange vriendschappen. De jaarlijkse reisjes schiepen een hechte band. Er werd dus druk ‘gesocialized’.

Onderwijzer

Albert Naert heeft enkele jaren als onderwijzer gewerkt in Zwankendamme. In de jaren 20 was in Zwankendamme een nieuwe wijk, de Cité, gebouwd ten behoeve van het werkvolk van de nieuwe glasfabriek die werd opgericht in 1925 om er te profiteren van de ligging aan zee en de gemakkelijke aanvoer van Engelse steenkool en beschikbaarheid van cokes uit de naburige cokesfabriek. Deze nieuwe glasfabriek had gespecialiseerde arbeid nodig. Een gedeelte daarvan kwam uit Wallonië, waar de glasindustrie op hetzelfde moment aan het delocaliseren was naar de VS. De bouwmaatschappij van de glasfabriek bouwde ook een schooltje dat beheerd werd door de zusters van de Dienstmaagden van Maria uit Ruddervoorde. Mijn vader was er collega met onder andere Eerwaarde Moeder Godelieve die in 1951 haar diamanten jubileum vierde.

Ik hoorde dikwijls vertellen dat hij eerst de navette naar Zwankendamme deed met de fiets, later kon er een brommertje van af. Vele jaren later mocht ik geregeld mee met vader op bezoek bij de nonnetjes van Zwankendamme. Ik heb er ooit kerststalbeeldjes gekregen in plaaster, gemaakt door de nonnetjes. Ze gaan nog altijd mee. Na het bezoek aan de nonnetjes staken we dan de straat over naar de boerderij waar mijn vader ’s middags zijn boterhammen ging opeten. Meestal gingen we naar huis met een konijn voor in de pot.

In 1953 kon mijn vader beginnen in de gemeenteschool in Heist, samen met zijn neef Michel Van Halewyn en Walter Mesuere. Twee meesters die er ook nog waren toen ik er school liep: meester Van Halewyn in het 3e en 4e leerjaar en meester Mesuere in het 2e en het 6e leerjaar. Mijn vader was toen al gepensioneerd. Dat kon toen al, schrik niet, op 48-jarige leeftijd. Hij vertrok in 1963, het jaar dat ik in het eerste studiejaar bij meester Huyghe leerde lezen, schrijven en rekenen. Samen met hem vertrokken ook meesters Hilderson en Vlietinck. Ze maakten plaats voor een aantal jongere mensen die zo de arbeidsmarkt konden betreden. In de tijd van mijn vader was meester René Van Poucke directeur.

albert naert 07

Visserij

De visserij maakte een groot bestanddeel uit van het leven van Albert. Hij was ingetrouwd in een vissersfamilie. Zijn schoonvader Joseph Vantorre, vroeg gestorven in 1953, was visser-reder van de Z8, de Theo Nathalie, later van nummer veranderd naar Z407. Zijn twee schoonbroers waren visser, Laurent was schipper op de Theo Nathalie, en Victor voerde vanaf 1963 de nieuw gebouwde Atlantis, met nummer Z402. Beide schepen waren ondergebracht in de pvba Gebroeders Vantorre, waarvan mijn moeder de zaakvoerder was, althans op papier, want in de praktijk werden de beslissingen genomen door de mannen. Zijn schoonfamilie had, naar Heistse vissersgewoonte, een lapnaam, broodnodig om een onderscheid te maken met de vele andere Vantorres in Heist. Mij is altijd verteld dat mijn grootvader, als er iets in de pan lag, zei dat het ‘fiesterde’. Zo noemde hij het geluid dat daarbij uit de pan opsteeg. Vandaar ‘Fieste’, lapnaam die zijn zonen en kleinzonen langs de mannelijke kant verderzetten: Johan Fieste, Rudi Fieste,…

albert naert 08De Z8, later Z407, Theo Nathalie, rechts Victor, Lia en Laurent Vantorre

Mijn vader deed de boekhouding van de pvba. Een onderdeel daarvan was het uitrekenen van de ‘poaje’, het loon waarop ieder bemanningslid recht had. Ik herinner me de vele keren hoe dat proces in zijn werk ging met nonkel Victor in een hoofdrol. Als het schip binnenkwam in de vissershaven van Zeebrugge na 10 à 14 dagen op zee werd het in de vroege uurtjes ‘gelost’ in de vismijn, wat betekende dat de vis uit het ruim op de vismijnvloer werd gedeponeerd klaar voor de veiling. Zo snel mogelijk na de veiling, na eerst even thuis te zijn langsgelopen, kwam de schipper naar ons huis. En passant had hij een ‘poander’ gevuld met vis voor mijn moeder. Zij gaf altijd op voorhand haar wensen mee: veel tong, tarbot, pladijs, ‘gatjes’, nu en dan eens een pieterman of een wijting, maar kabeljauw moest er niet bij, dat was toen nog een ‘gemene’ vis. Bij het binnenkomen kon je al aan zijn gezicht zien hoe de opbrengst was geweest. Mijn vader zat aan de grote tafel in de living op zijn vaste plaats, vanwaar hij al zijn boekhoudkundig werk deed. Mijn oom zette zich rechtover hem en mijn moeder tussen hen beiden aan de zijkant. ‘Zovele in de miene en zovele azoè’ was dan het verdict. Dat ‘azoè’ sloeg dan op wat er in het zwart was verkocht. Dat kon op sommige momenten wel eens oplopen en dicht in de buurt komen van het officiële gedeelte. Op dat laatste moest dan de ‘poaje’ worden berekend, aan de hand van het percentage dat met elk bemanningslid bij de indiensttreding was overeengekomen.

Mijn vader was ook betrokken bij de Rederscentrale. Ik denk dat hij daar op een of ander moment een officieel mandaat vervulde. Wat zeker is, is dat er in mijn jeugd veelvuldig contact was met de toenmalige tenoren uit de sector, o.a. Alfred Wittevrongel, de directeur van de Rederscentrale, voorzitter Pros Vandenberghe en bestuurslid Albert Wtterwulghe.

Enkele malen per week ging mijn vader naar de vismijn, soms mocht ik mee. Eén van de stopplaatsen was de garnalenveiling om 10 u aan het Westeinde van de vismijn. Daar hing een grote ronde schijf met cijfers in de rand die de mogelijke prijzen van de garnalen weergaven. Bij de start van de verkoop van een lot garnalen stond de wijzer op de hoogste prijs. De wijzer draaide naar de lagere prijzen. Van zodra een garnalenkoper toesloeg werd de wijzer stilgezet en was de partij garnalen voor de gelukkige roeper tegen de prijs tegenover de stopgezette wijzer.

Daarboven waren er bureaus van de vismijn waar o.a. Frank Vanhulle kantoor hield. Ook het pakhuis van zijn broers Joseph en Marcel werd meestal aangedaan, evenals de frituur van Victor Depaepe en Jeannine Vlietinck (van de Veermans). Hun zoon Robert, die even oud was als ik, voer als laver op de Z402 van nonkel Victor. In 1973 sloeg het noodlot toe. Op een manier die nooit is achterhaald waren twee bemanningsleden, onder wie Robert, over boord geslagen. Robert heeft het niet overleefd en verdronk op 16-jarige leeftijd.

't Heist Best

Albert ging dan wel met pensioen op zijn 48e, op zijn lauweren heeft hij nooit gerust. Zoals reeds vermeld deed hij de boekhouding van het familiebedrijf, pvba gebroeders Vantorre. Daarnaast deed hij ook de boekhouding voor het kolen- en mazoutbedrijf van René Slabbinck en diens schoonbroer Aimé Dhondt. De meeste tijd na zijn pensioen besteedde hij evenwel aan de sociale huisvestingmaatschappij t’Heist Best. Korte tijd na zijn pensioen kreeg hij immers de gelegenheid om daar zaakvoerder te worden in opvolging van Armand Everaert die zelf op pensioen ging. Het kantoor van t’Heist Best was toen nog in de Vredestraat, op de hoek met de Herfststraat. Samen met de administratieve medewerkster Christine Naert, de dochter van zijn broer Maurice, runde hij de kleine maatschappij die enkele wijken met sociale woongelegenheden bezat in de Knokkestraat, het Matrozenplein, de Zuidstraat, de Emmanuel Hielstraat, de Peter Benoitlaan, de Vredestraat, de Weststraat, de Herfststraat, de Schuttersstraat en de Sint-Jozefstraat. Alles samen goed voor een 150-tal woongelegenheden voor het armere deel van de Heistse, en na de fusie in 1971, Knokke-Heistse bevolking. De wachtlijsten waar evenwel altijd veel langer dan het aantal beschikbare woningen. Tijdens zijn zaakvoerderschap kwamen er heel wat nieuwe projecten bij.

Zo werd er bijvoorbeeld gebouwd in de wijk Oostwinkel achter het station van Heist. Deze kwam er in het zog van het Kijkdorp, de meer naar het oosten gelegen ‘showcase’ van nieuwe bouwtechnieken. Daar plantte de toenmalige Nationale Maatschappij voor de Huisvesting een 140-tal, soms modernistische, reeksen huizen (Kreeft, Alikruik, Trapegeer, Bocht, Breedveertien,…) neer die moesten laten zien tot wat onze architecten en aannemingsbedrijven in staat waren voor de sociale huisvesting. Het beheer van deze woningen kwam in handen van t’Heist Best, dat zelf ook dus plannen had voor de westkant van het gebied ten zuiden van de spoorweg. Het had heel wat voeten in de aarde, de oliecrisis gooide bijvoorbeeld roet in het eten, maar uiteindelijk kwamen er in de nieuwe straten Schoneveld, Kwinte, Westdiep, Scheurleg en Ruitingen tientallen nieuwe woongelegenheden bij. Verder werd er ook voor het eerst buiten de grenzen van het oude Heist gebouwd. In Knokke was immers geen sociale woningmaatschappij actief en na de fusie breidde het actiegebied van t’Heist Best dus de facto uit naar de andere deelgemeenten. Dat resulteerde in de bouw van meer dan twintig woongelegenheden in de wijk Vogelzang, gelegen tussen de Jan Devischstraat en de Graaf Jansdijk.

Kaarten

Mijn vader was ook een fervent kaarter. Na zijn pensionering in 1949 ging hij elke namiddag, weekdag en zondag, bridgen. Hij was lid van de Knokse bridgeclub en ik herinner me de dagelijkse trip naar de Wim’s, toen nog in het casino van Knokke, om er te kaarten. Later zocht de club het dichter bij de deur, met name in de sporthal van het Laguna sportcomplex. Er werd voor geld gespeeld, zelfs voor redelijke bedragen tot enkele honderden Belgische frank. Soms daagde hij me voor zijn vertrek uit. Als ik meedeed kreeg ik de helft van zijn eventuele winst, maar moest ik ook de helft van het eventuele verlies bijleggen. Ik heb verschillende keren meegedaan, maar ik heb nooit moeten bijleggen.

Naast het intellectueel uitdagende bridgen, was er ook het manillen. Dat gebeurde elke donderdagavond bij ons thuis. Huisvriend Marcel Meyers was altijd present, evenals broers Maurice en Marcel. Ook op zondagmorgen, na de hoogmis van 10 uur, werd er wel eens een kaartje gelegd in Café Groen en Wit in de Kursaalstraat.

Muziek

Wat ook niet onvermeld kan blijven is het muzikale verleden van Albert Naert. Hij speelde klarinet in de Harmonie Sint-Cecilia en moest daarmee stoppen toen hij een vals gebit moest nemen. Dat ging blijkbaar niet goed samen met klarinetspelen. Toch hield hij het lang uit, getuige daarvan een eremedaille op zijn naam uitgegeven door Fedekam waaruit zou moeten blijken dat hij van 1933 tot 1963 harmonielid was.

------------------------------------------

Oude foto’s bekijken en mensen herkennen

Op 23 oktober verwachten we veel (oudere) Heistenaars om opnieuw gezellig met een (gratis) kopje koffie oude foto’s te bekijken in het nieuwe gebouw van museum Sincfala, Pannenstraat 140 Heist.

Afspraak om 14.30 uur.

Een organisatie van Heyst Leeft en museum Sincfala.

Iedereen van harte welkom op deze plezante en aangename namiddag.

Projectie op groot scherm. Duurtijd ongeveer 2 uur.

Albert Naert (1915-1999) - Herinneringen aan een Heistenaar in hart en nieren

Frank Naert

Heyst Leeft
2020
02
003-012
BV
2026-01-20 11:33:27